Dobbelspel Super Six hout Volledige grootte weergeven

Dobbelspel Super Six hout

Het gezellige en spannende dobbelspel Super Six in een houten uitvoering. Wie heeft als eerste al zijn staafjes weggespeeld?

Doorsnede en hoogte: 5 cm.

Meer details

3020

Waarschuwing: Laatste items in voorraad!

€ 6,00

In prijs verlaagd!

-50%

€ 12,00

Bij aanschaf van dit product krijgt u in totaal 6 Loyaliteit punten. Uw winkelwagen bevat een totaal aan 6 punten dat geconverteerd kan worden in een kortingsbon van € 0,30.


Begin van het spel:

De staafjes worden gelijkmatig onder de spelers verdeeld.

De spelers gooien nu om de beurt in de richting van de klok.

 

Super Six met één dobbelsteen.

In het deksel zijn 5 uitsparingen aangebracht welke voorzien zijn van nummer 1-5

Werpt nu een speler één van deze vijf getallen, en de betreffende uitsparing is leeg, dan mag hij/zij deze opvullen met één staafje. Is de uitsparing echter reeds bezet dan dient de speler het daar aanwezige staafje tot zich te nemen. Het cijfer 6 is een geluksgetal, wanneer deze gegooid wordt mag men een staafje afstorten via het middelste gaatje waar het tot het einde van het spel blijft zitten. Het is belangrijk dat bij de eerste ronde iedere speler één keer gooit. Vanaf de tweede ronde mag men zoveel werpen als dat er gaatjes gevuld kunnen worden. Zodra men echter een getal gooit waarbij het betreffende gaatje bezet is, dient men dit staafje tot zich te nemen en gaat de beurt naar de volgende speler. Zodra één van de spelers al zijn staafjes heeft kunnen afstorten in het gaatje nr.6 is het spel afgelopen en is de winnaar.

 

Super Six met twee dobbelstenen.

Bij het begin gooit iedereen 1x, degene die het hoogst gooit begint.

Iedereen mag maar één keer gooien. Men kan de gegooide punten verdelen zoals men zelf wil.

Voorbeeld: men gooit en 5 en een 6, dan  kan de 6 gelijk afgestort worden, de vijf wordt in het betreffende genummerde  gaatje gestoken.

Gooit een speler dubbel 5 (=10) en het gaatje 5 is bezet, dan dient hij/zij de betreffende staafjes tot zich te nemen maar mag deze vervolgens weer terugplaatsen ter compensatie van de tweede gegooide vijf. Ook kunnen in dit geval de gaatjes 4 en 6 gebruikt worden. (=10).

Gooit een speler een 2 en 4 (=6) en zijn beide gaatjes reeds gevuld dan is het logisch dat men 1 staafje afstort in gaatje 6.

Gooit men een 2 en 6 en alle gaatjes zijn reeds bezet dan dient men 1 staafje tot zich te nemen en het andere in gaatje nr.6 af te storten.

Gooit een speler b.v. 1 en 4 en alle gaatjes zijn bezet dan dient men het staafje uit gaatje 5 tot zich te nemen.

Heeft men nog maar één staafje over dan gooit men verder met 1 dobbelsteen.

Degene die als laatste nog staafjes overheeft is de verleizer.